Handhaving op schijnzelfstandigheid: waar staan we nu?

Sinds 1 januari 2025 is de handhaving op schijnzelfstandigheid geen toekomstmuziek meer, maar dagelijkse praktijk. Wat betekenen de recente ontwikkelingen, nieuwe jurisprudentie en de aangescherpte houding van de Belastingdienst voor organisaties én voor interim‑professionals? Tijdens Goedemorgen Legal People op donderdag 2 april 2026 ging Legal People hierover in gesprek met Boris Emmerig, Tax Partner bij Holla Tax & Legal. In deze sessie stond één centrale vraag centraal: waar staan we nu, ruim een jaar na de start van de handhaving? 

Terugblik: van aankondiging naar realiteit

In november 2024 werd binnen Goedemorgen Legal People al vooruitgekeken naar de aangekondigde handhaving op schijnzelfstandigheid. Toen was de vraag vooral wat dit in theorie zou betekenen voor opdrachtgevers en interimmers. Inmiddels is die theoretische fase voorbij. Boris Emmerig schetste dat de Belastingdienst sinds 1 januari 2025 daadwerkelijk actief is: bedrijfsbezoeken, gerichte vragen en controles maken inmiddels onderdeel uit van de praktijk. De aanvankelijke gedachte dat handhaving beperkt zou blijven vanwege capaciteit, blijkt volgens Emmerig te optimistisch.

Daarbij benadrukte hij dat de Belastingdienst de tijd aan haar kant heeft. Bij constatering van schijnzelfstandigheid kan tot vijf jaar terug loonbelasting worden nageheven. Voor organisaties die structureel met zzp’ers werken, kunnen de financiële gevolgen aanzienlijk zijn.

Drie arbeidsrelaties, grote gevolgen

De kern van het vraagstuk blijft het vaststellen van de juiste aard van de arbeidsrelatie. Juridisch kent de wet drie vormen: de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van opdracht en de overeenkomst van aanneming van werk. Met name het onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht leidt in de praktijk tot discussie. Van schijnzelfstandigheid is sprake wanneer partijen formeel een opdrachtrelatie zijn aangegaan, maar de feitelijke uitvoering kenmerken vertoont van een dienstbetrekking. 

Die kwalificatie is allesbehalve vrijblijvend. Bij een arbeidsovereenkomst zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen van toepassing, zoals ontslagbescherming en pensioenverplichtingen. Fiscaal betekent dit inhouding en afdracht van loonbelasting en sociale premies. Bij een echte opdrachtrelatie is daarvan geen sprake. Juist dit verschil maakt het dossier zo risicovol voor opdrachtgevers.

Tussenkomst en intermediairs: geen automatische vrijwaring

Veel organisaties werken met zzp’ers via brokers of intermediairs. Dat kan aantrekkelijk lijken, omdat arbeidsrechtelijke en fiscale risico’s vaak contractueel bij de intermediair worden neergelegd. Emmerig waarschuwde echter dat dit geen waterdichte oplossing is. De fiscaliteit kent de zogenoemde fictieve dienstbetrekking van tussenkomst, die al kan ontstaan wanneer een zelfstandige via een derde arbeid verricht voor een opdrachtgever.

De enige echte ontsnappingsroute is aantoonbaar ondernemerschap van de zzp’er. Dat maakt niet alleen het contract met de zelfstandige relevant, maar ook de raamovereenkomst tussen opdrachtgever en intermediair. Beide verdienen expliciete aandacht.

Ondernemerschap als doorslaggevende factor

Een belangrijk deel van de sessie stond in het teken van ondernemerschap. Volgens Emmerig is dit hét sleutelbegrip in de huidige handhavingspraktijk. De Belastingdienst hanteert hiervoor onder meer de ondernemerscheck, waarin wordt gekeken naar continuïteit, ondernemersrisico, zelfstandigheid en omvang van de onderneming. Opdrachtgevers kunnen daarbij niet blind varen op verklaringen van de zzp’er; controle blijft noodzakelijk. 

Die nadruk op ondernemerschap sluit aan bij recente rechtspraak. Zowel het Deliveroo‑arrest als het Uber‑arrest laten zien dat zelfs wanneer werkzaamheden sterk lijken op die van werknemers, extern ondernemerschap de doorslag kan geven. “Twee mensen kunnen hetzelfde werk doen, maar toch juridisch anders worden gekwalificeerd,” aldus Emmerig. 

Handhaving, boetes en tijdslijnen

Hoewel over 2025 nog geen boetes worden opgelegd, verandert dat beeld snel. Vanaf 2026 kunnen vergrijpboetes volgen wanneer sprake is van opzettelijk onjuist handelen. Deze boetes kunnen oplopen tot 50 procent van het nageheven bedrag. Voor zzp’ers zelf is het belangrijk te realiseren dat zij nooit onder het handhavingsmoratorium vielen; ook bij hen kan de Belastingdienst met terugwerkende kracht naheffen en ook over jaren die vóór 2025 liggen. 

Duidelijkheid zoeken: wel of niet naar de Belastingdienst?

Een terugkerende vraag is of organisaties actief duidelijkheid moeten vragen bij de Belastingdienst. Emmerig schetste drie routes: vooroverleg, het aanvragen van een beschikking ‘geen verzekeringsplicht’ of het laten toetsen van interne beheersmaatregelen. Die laatste route wint volgens hem aan populariteit, omdat daarmee niet één specifieke arbeidsrelatie, maar het gehele zzp‑beleid wordt beoordeeld. Zekerheid vooraf kan rust geven, maar vraagt ook om transparantie. 

Tot slot

De belangrijkste conclusie van deze editie van Goedemorgen Legal People is dat werken met zzp’ers ook na 1 januari 2025 mogelijk blijft, mits het zorgvuldig en consistent wordt ingericht. Angst is daarbij een slechte raadgever, maar vrijblijvendheid evenzeer. Contracten, feitelijke uitvoering en ondernemerschap moeten met elkaar in balans zijn. Wie die balans weet te vinden, kan ook in het huidige handhavingsklimaat verantwoord blijven werken met zelfstandigen.

Op zoek naar een interim-professional? Wij beschikken over een sterk netwerk, schakelen snel en denken actief mee over de juiste oplossing voor jouw organisatie. Neem gerust contact met ons op.